Martine van Os (1957) veroverde de harten van televisiekijkers met haar betrokken interviews voor Omroep MAX. Behoedzaam de stemming peilen leerde ze als kind al, in het politieke nest van haar ouders.

TEKST: MINOU OP DEN VELDE | BEELD: BRENDA VAN LEEUWEN | VISAGIE: MANOUS NELEMANS

TERUG IN DE TIJD

“Mijn vader vervulde zijn dienstplicht in Indonesië bij de KNIL. De onderste la van deze kast was van hem. Daar zaten zijn brieven in en foto’s uit die tijd, en een krokodillenleren etui. We mochten er absoluut niet aankomen. Mijn vader droeg Tabac aftershave. Zodra ik de la open, ruik ik dat, en ga terug in de tijd. ’s Morgens las hij altijd de krant met een beschuitje erbij. Dan moest ik doodstil zijn. Zodra ik nu krant en beschuit ruik, ben ik weer thuis.”

IN WAT VOOR WERELD LEVEN WIJ?

“Mijn zoon heeft altijd getekend. Als klein jongetje, als we uit eten gingen en er was geen pen en papier mee, pakte hij een servetje, hield een lucifer in de kaars en maakte een houtskooltekening. Op een gegeven moment ging hij heel los tekenen in zwart-wit, prachtig. Als hij een vrouw tekende begon hij bij de voet en trok dat in één lijn door. Deze tekening is me heel dierbaar. Het zijn twee vrouwen. Het heeft iets erotisch.

Julian is van de mannenliefde. Dat maakt je leven minder eenvoudig dan als je hetero bent. Ik zie hoe de wereld zich verhardt, en de discriminatie terugkomt. Dat vind ik heel akelig. Soms hoor ik dat er weer een potenrammer iemand in elkaar heeft geslagen om niks. Jeetje, in wat voor wereld leven wij? Julian was 22 toen hij afstudeerde aan de modeacademie. Hij ging een jaar reizen door Azië. We brachten hem naar het vliegveld, en ik weet nog dat ik tegen hem moest zeggen: ‘Weet dat je niet overal zomaar voor je geaardheid kunt uitkomen. Dat kan je duur komen te staan. Lees erover. Weet wat je kan overkomen.’ Dat vond ik zo erg. Dat ik tegen mijn eigen kind moest zeggen dat hij niet overal zichzelf kon zijn.”

STOER WIJF

“Dit is mijn favoriete foto van mijn moeder. Kijk wat een stoer wijffie. Ze moest jong voor zichzelf zorgen en opkomen. Haar moeder overleed toen mijn moeder 14 was. Ik had altijd het gevoel dat ik dat verlies goed moest maken. Met mij had ze weer iemand die echt bij haar hoorde. Ze werd van de middelbare school gehaald, omdat haar vader en stiefmoeder dat niet nodig vonden voor een meisje. Terwijl ze veel meer in haar mars had, ging ze een opleiding voor kinderverzorgster volgen. Ze was heel trots toen ze de politiek in ging. Ze begon in de gemeenteraad, daarna kwamen de Provinciale Staten, en toen Anne Vondeling verongelukte, kwam ze in het Europees Parlement, met Hedy d’Ancona. Ze zei altijd: ‘Vind de liefde van je leven, maar zorg dat je nooit financieel afhankelijk wordt van een man.’ Daar ben ik haar dankbaar voor. En gelijk verdelen is er met de paplepel ingegoten. De sterken moeten voor de zwakken zorgen. Dat staat nog steeds hoog in mijn vaandel.”

KAN DIE SLUIS EENS DICHT?

“Ik heb een zwak voor kwetsbare vrouwenlijfjes. De vrouw op deze vaas heeft een dun jaren 30 badpakjurkje aan, waardoor je haar bolle buikje ziet. Dat blauwe poppetje met die smalle schoudertjes fascineert me ook. Haar verdrietige oogopslag, die gesloten houding. Het wakkert iets aan in mezelf. Mijn eigen kwetsbaarheid wellicht. Ik raak gauw uit evenwicht. In de vierde klas, toen ik verhuisde en op een nieuwe school terecht kwam, werd ik genegeerd door mijn klasgenoten. Het was: zij bestaat niet, want ze hoort niet bij ons. Dat kwam heel hard aan. Ik denk dat dat te maken had met de onzekerheid thuis. Mijn ouders zaten in de politiek, wat altijd vechtgesprekken opleverde. Hard tegen hard, heel bedreigend. Ik ontwikkelde aversie tegen politiek, want het slorpte alle energie van mijn ouders op. Misschien omdat dat het enige was, wat ze bond. Mijn moeder zei altijd: als jij uit huis gaat, ga ik weg bij je vader. Zo ging het ook. Elke dag kwamen er politieke vrienden over de vloer. Mijn broer en ik begrepen geen reet van die discussies, en liepen er verloren omheen. Er was nergens anders aandacht voor. Politiek is heel veel praten. Maar de wereld is doen, en zijn! Mijn broer trok zich terug. Ik werd juist van het harmoniemodel. Ik zeg altijd sorry, zelfs als ik met tennissen een goede bal sla. Het was altijd schipperen, want mijn vader was gevaarlijk gebied. Na Achter het nieuws werd hij hoofd actuele programma’s bij de NOS. Hij deed pittige klussen, maar hij was vrij onzeker, en reageerde zich thuis af. Het was spitsroeden lopen. Hoe ver kan ik gaan, wat kan ik zeggen voor hij weer een driftbui krijgt? Als ik ’s avonds na een feestje binnenkwam, kon hij ineens schreeuwen: ‘Haal die make-up van je gezicht!’ Of er vloog een bord door de kamer.

Gelukkig had ik een stevige moeder, die veel opving en bij wie ik me geborgen voelde. Ik hield van mijn vader. En ik heb altijd gevoeld dat hij ook van mij hield. Maar ik zag zijn onmacht. Alles was een aanleiding om ruzie te zoeken. Een vork die scheef lag, of een bloemetje op tafel. Ooit sloeg hij een keer met zijn vuist op tafel en riep: ‘Ik eis gezelligheid!’ Och, die arme man, haha.

Presteren vond hij heel belangrijk. Soms reden we ergens heen en zei ik bijvoorbeeld iets over een vriendinnetje of zo. Daar ging hij meestal niet op in, maar hij zei: ‘Hoe kun je nou over een jurk beginnen? Weet je waar we zijn? Weet je hoe het hier heet? Kijk eens naar buiten!’ Dan wist je: ik doe het weer helemaal verkeerd. Wat je er aan overhoudt, is een enorme gevoeligheid voor stemmingen. God, kan die sluis eens dicht? Het is doodvermoeiend, maar voor mijn werk is het een handige eigenschap. Ik vind het mooi om te kijken wat zich allemaal afspeelt in mensen. Wat zeggen ze, en wat zit daar onder?”

DOZEN VOL

“Deze mooie stoel komt uit mijn ouderlijk huis. Je kon hem omkiepen, dus mijn broer en ik gebruikten hem als glijbaan. Eigenlijk mocht dat niet. Het was voor hen best een aanschaf geweest, zo’n designstoel. Ik heb nog veel spullen van mijn ouders. Is het niet vreemd, dat ik al die dingen met me meesleep? Boven staan dozen vol foto’s van mijn moeder, met mensen die ik niet ken en stomme vakantiekiekjes. Laatst zei mijn dochter: ‘Mam, je gooit de spullen weg. Niet de herinneringen.’ Ze heeft gelijk. Misschien moet ik alles ritueel vernietigen, misschien helpt dat tegen het schuldgevoel?”

KIEZEN OF DELEN

“Op dit glazen beeld was ik op slag verliefd. Zo’n lief en mooi koppie.

Op een dag had Wouter het verkocht. Zo erg! Gelukkig heeft hij er nog een gemaakt, voor mij. Ik vind het mooi om te zien hoe hij werkt. Hij denkt niet bewust: dit ga ik maken. Hij begint gewoon en wat er komt, komt er. Intuïtief. Zo wil ik als presentator ook in gesprekken staan. Alleen maar in het moment zijn, luisteren, reageren en nieuwsgierig zijn.

We leerden elkaar kennen op de Academie voor Expressie. Ik was 20, hij 33. Hij gaf les in visuele vormgeving en leerde ons heel goed kijken. We kregen de opdracht om naar het Centraal Station te gaan en een half uur op een bankje te zitten. Je moest omschrijven wat er aan mensen voorbij was gekomen, en welk gevoel je bij ze kreeg. Wat voor mens je dacht dat ze waren, wat voor beroep je dacht dat ze hadden. Dat sprak mij aan als actrice. Ik vond Wouter meteen leuk. Zijn aandacht en toewijding. Hij heeft een zachte kant.

Maar ik vond het ook eng, zo’n grote man. Wouter heeft me sterker gemaakt. Hij heeft me zelfvertrouwen bijgebracht. Hij gaf me het gevoel: het is goed wat je doet. Laatst hadden we het er over, wat is nou het belangrijkste als je een relatie goed wilt houden? Dat je iemand laat zijn wie hij is. Dat was in het begin lastig, toen hij weer ging schilderen.

Wij hebben een tijd samen televisie gemaakt. Hij regisseerde mij, en we schreven samen. Toen ging hij ineens weer fulltime in de kunsten. Dat was wennen, want hij wilde vaak wekenlang in het buitenland werken. De kinderen waren nog klein. Het was kiezen of delen: als ik hem deze vrijheid niet geef, gaan we uit elkaar. Ik vond het moeilijk dat hij zo makkelijk afstand kon nemen. Terwijl ik hem erg miste. Hé, hoe kun je nou zes weken bij mij weg willen? Soms belde hij vanuit Spanje dat hij drie dagen later thuiskwam. Dan knapte ik uit elkaar! De laatste jaren film ik elke zomer weken in het buitenland, en zit hij in zijn eentje thuis. Zo, nu voel jij ook eens hoe dat is! Haha.”

OP WEG NAAR HET EINDE

“Naarmate ik ouder word besteed ik steeds meer tijd aan de tuin. Dat mandarijnboompje en dat olijfboompje waren door de droogte en hitte bezweken. Zodra ik ze had verpot en gesnoeid deden ze het weer. Dat zijn nu voor mij de grote geneugtes des levens. Misschien vanwege de troost van de natuur, steeds zien dat het allemaal doorgaat. De dood, daar denk ik over na. Wouter is 73, die fase komt steeds dichterbij. Ik heb mijn moeder intensief meegemaakt in haar laatste jaren. Door haar dood werd ik me enorm bewust van mijn eigen sterfelijkheid. Alsof ik toen pas realiseerde dat je echt weg gaat. Onherroepelijk. De wereld is zo raar leeg zonder haar. Naarmate je ouder wordt ken je de waarde van de tijd zo goed. Als ik 91 word, heb ik nu nog 30 jaar. Heel overzichtelijk. (Grinnikt)

Ik heb te lang geleefd met: als ik later groot ben. Nu denk ik vaak: waar moet ik nog naartoe werken? Wat heeft het voor zin? Of ik nog vijf jaar leef, of twintig jaar? Want eigenlijk is bereikt wat er bereikt moest worden. Ik heb een carrière, twee prachtige kinderen, een lieve man en een leuk huis. Dat werk gaat op een gegeven moment ook stoppen. Wat ga ik dan doen?

Mensen zeggen: dan krijg je kleinkinderen! Dat is hartstikke leuk hoor. Maar gaat dat genoeg zijn? Voor verveling ben ik niet bang, maar wel voor zinloosheid. Dat je weet: ik ben nu alleen nog maar op weg naar het einde. Naar de dood. Daar kan ik sombertjes van worden.”

THUIS

“Toen ik van de academie kwam, had ik weinig durf tot ondernemen. Mensen vroegen: waarom maak je geen soloprogramma? Waarom schrijf je geen boek? Ergens had ik het gevoel dat ik dat best zou kunnen. Maar de overtuiging was er niet. Ik begon met acteren in theatervoorstellingen, die voor televisie werden bewerkt en opgenomen. Met Frans Weisz heb ik reclamespotjes gedaan. De VARA belde, of ik Astrid Joosten wilde opvolgen als omroepster. Dat wilde ik niet. Ik dacht: straks word ik de omroepster die ook nog zo nodig moet acteren. Maar toen kwam er een ander presentatieklusje op mijn pad. Ik begon heel naïef bij televisie. Ik was gevleid en onder de indruk als iemand me ergens voor vroeg. Ik weet nog dat ik bij de KRO werkte, en dat Anita Witzier was binnengehaald. O leuk, dacht ik, een nieuwe collega! Een vriendin die ook bij de omroep werkte, en meer door de wol was geverfd dan ik, zei: ‘Nou, ik denk dat het niet zo leuk is. Want zij is voor veel geld binnengehaald, daar gaan al je klussen!’ Dat was ook zo. Even was ik uit het veld geslagen en verdrietig. Wouter heeft me flink moeten opvangen. In die periode las ik dat Jan Slagter Omroep MAX wilde beginnen, voor ouderen. Daar was ik het mee eens. Ik deed het programma Lieve Martine, daar werd veel naar gekeken. Maar de KRO zei: we moeten verjongen. Dat knaagde. Wat is dat voor raars? Hebben oude mensen geen recht van bestaan? Toen heb ik Jan Slagter een brief geschreven, dat als ze me nodig hadden, hij moest bellen. Dat durf ik dan weer wel. Nu werk ik twaalf jaar voor Omroep MAX. Ik heb me nog nooit zo thuis gevoeld als daar. Jan is de directeur, maar hij gedraagt zich niet zo. What you see is what you get. Geen dubbele agenda. Soms zit ik ergens mee, en denk na het telefoongesprek: getverdemme, het zit me toch niet lekker. Dan stuur ik hem een lang verhaal en krijg een lang verhaal terug. Hij leest wat ik schrijf en neemt tijd om te reageren. Kijk, dit soort appjes krijg ik van hem. Ik was vijf weken weg voor We zijn er bijna!, en hij vraagt regelmatig hoe het gaat. Dat is toch lief?”

ZO INTENS

“De tijd waarin mijn kinderen klein waren, daar kan ik zo’n heimwee naar hebben. Zo intens dat het bijna pijn doet. Ik vond het zo gezellig, zo warm. Ik hoefde alleen maar te zorgen dat zij goed de wereld in kwamen. De eerste dertig jaar van je leven ben je bezig om jezelf te ontwikkelen. Het moet alsmaar beter: een nog leukere vakantie, nog mooier werk. (zucht) Op de Academie voor Expressie ging het altijd over jezelf. Alles moest je drie keer naar boven spitten, weer in elkaar puzzelen en terugplaatsen, brrr. Dat is heel goed geweest. Maar toen ik 30 was, had ik dat wel gehad.

Nu zijn mijn kinderen 30 en 28. Elk jaar gaan we met zijn vieren een week de hort op. Zij zullen ook wel deukjes oplopen. Ik ben te beschermend. Te verzorgend. Ik weet nog dat ik Julian toen hij 7 was vroeg om met zijn fietsje in de stad iets te halen. Daar ging hij, en ik bleef thuis met kloppend hart. Toen hij terugkwam gaf ik hem complimentjes, himmelhoch jauchzend, goed gedaan! Pfft, zuchtte hij: ‘Dat kon ik allang mam. Jij kon het alleen nog niet.’ Haha.”

Dit artikel verscheen in:

image

Deel het artikel gerust via onderstaande knoppen

Meer Zin lezen?